Valbeveiliging

Permanente valbeveiligingssystemen
Er zijn in principe twee soorten beschermingsmiddelen tegen vallen van hoogte:
   
     
Gebiedsbegrenzingssystemen
De gebruiker wordt verhinderd om over de valzijde te vallen. Deze systemen worden over het algemeen geplaatst op 2 meter uit de valrand. Met het juiste PBM met een korte lijn van maximaal 2 meter wordt vallen verhinderd.
   
     
Valbeveiligings- of opvangsystemen
De gebruiker wordt bij een val beschermd mits het opvangsysteem en het harnas dit
toelaten en hiervoor gekeurd en CE gemarkeerd zijn. Dit systeem is zinvol wanneer de bewegingsvrijheid van de gebruiker gewaarborgd moet zijn bij werk aan de valzijde. De veilige zone in Nederland is bepaald op 4 meter uit de valzijde. Tot 2 meter uit de valzijde is het niet toegestaan zonder veiligheidsmiddelen arbeid te verrichten.
   
     
                                                                    
   
Voorwaarden voor valbeveiliging
• Voldoende minimale werkhoogte voor het opvangen van de val
• Schokken en stoten moet worden voorkomen voor de opgevangen persoon
• De uitrusting moet volstaan om een val aan de valzijde op te vangen
• Een snelle redding van de gevallen persoon moet mogelijk zijn

De meest voorkomende valbeveiligingssystemen zijn de individuele ankerpunten volgens EN-795 klasse A en horizontale ankerpunten met bijvoorbeeld RVS staalkabels volgens EN-795 klasse C. Een kabelsysteem geeft een betere beveiliging omdat de gebruiker zich voortdurend aangelijnd parallel langs de valzijde kan verplaatsen. In het algemeen moeten toegepaste valbeveiligingssystemen zijn voorzien van certificaten volgens EN795 en een CE-kenteken op het product.

De afstand tussen de individuele ankers bedraagt 7,5 meter. Bij toepassing van RVS lijnsystemen wordt de lengte gemeten nadat alle ankerpunten zijn geplaatst. De maat wordt gemeten hart op hart van de ankerpunten. De lijn wordt na montage gespannen en voorzien van een keuringsbordje.